ECLI:NL:CRVB:2012:BY5250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking door familierelatie
Appellant vroeg op 17 februari 2010 een WW-uitkering aan wegens beëindiging van werkzaamheden per 1 december 2009. Het UWV weigerde de uitkering aanvankelijk wegens verwijtbare werkloosheid, maar verklaarde later dat appellant niet verzekerd was omdat geen dienstbetrekking bestond. Dit was gebaseerd op de familierelatie met zijn grootmoeder, eigenaar van de onderneming waar appellant werkte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat de familierelatie de arbeidsverhouding beheerste, mede gezien de hoge leeftijd, analfabetisme en beperkte taalvaardigheid van grootmoeder. Hierdoor kon geen gezagsverhouding worden aangenomen zoals vereist voor een dienstbetrekking.
In hoger beroep stelde appellant dat wel sprake was van een gezagsverhouding omdat werkgever opdrachten gaf. Het UWV handhaafde het standpunt dat de familierelatie dit uitsloot. De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor gezagsuitoefening door grootmoeder, mede omdat zij niet in staat was het bedrijf te leiden en geen aanwijzingen of instructies had gegeven.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Van den Hurk en leden Rottier en Van Dun op 5 december 2012.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat geen dienstbetrekking bestond door het ontbreken van een gezagsverhouding wegens familierelatie.