ECLI:NL:CRVB:2012:BY5209
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar en beroep inzake vaststelling persoonsgebonden budgetten AWBZ over 2005-2009
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar persoonsgebonden budgetten (pgb’s) over de jaren 2005 tot en met 2009 en verzocht om schadevergoeding. Het Zorgkantoor had het bezwaar tegen het besluit van 14 juni 2010 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar prematuur zou zijn ingediend. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond voor het jaar 2009, terwijl het bezwaar over de jaren 2005-2008 als een herhaalde aanvraag werd aangemerkt.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het bezwaar tegen het besluit van 25 mei 2010, mede gericht is tegen het besluit van 14 juni 2010, zodat het bezwaar niet niet-ontvankelijk had mogen worden verklaard. De Raad vernietigt daarom dat deel van de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep over 2009 inhoudelijk. De Raad verklaart het beroep ongegrond omdat het recht op pgb over 2009 gelijk is aan de toekenningsbeschikking.
Voor wat betreft de jaren 2005 tot en met 2008 bevestigt de Raad het oordeel van de rechtbank dat de brief van 17 mei 2010 moet worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag en niet als een bezwaar. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens het ontbreken van een gegrond beroep. De Raad bepaalt dat het Zorgkantoor het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.
Uitkomst: Het beroep over 2009 wordt ongegrond verklaard, het bezwaar over 2005-2008 wordt als herhaalde aanvraag aangemerkt en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.