ECLI:NL:CRVB:2012:BY3167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand aan alleenstaande met toeslag na onterecht veronderstelde gezamenlijke huishouding
Appellant vroeg bijstand aan als alleenstaande en gaf aan alleenstaand te zijn, woonachtig bij een ander persoon op een adres waar meerdere personen stonden ingeschreven. Het college stelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en wees de aanvraag af. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij wel tijdig de gevraagde inlichtingen had verstrekt.
De Raad constateerde dat appellant in de bezwaarfase alsnog een huisbezoek had toegestaan en aan zijn inlichtingenverplichting had voldaan, waardoor het bestreden besluit niet stand kon houden. De rechtbank had dit niet onderkend, maar de Raad vernietigde de uitspraak en het besluit van het college.
Vervolgens oordeelde de Raad dat appellant recht had op bijstand vanaf de datum van de aanvraag, naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%, omdat geen sprake was van wederzijdse zorg die een gezamenlijke huishouding zou rechtvaardigen.
Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak trad in de plaats van het eerdere besluit van het college en bevestigde het recht van appellant op bijstand over de gehele periode.
Uitkomst: Het besluit van het college wordt vernietigd en appellant krijgt bijstand toegekend als alleenstaande met een toeslag van 20%.