ECLI:NL:CRVB:2012:BY2375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstand wegens ontbreken wederzijdse zorg in gezamenlijke huishouding
Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad beëindigde de bijstand van betrokkene per 3 november 2009 op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding met een derde persoon. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, omdat weliswaar sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf, maar niet van wederzijdse zorg door het ontbreken van een bijdrage in de huishoudkosten of andere zorg.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en betoogde dat de vastgestelde feiten wel voldoende waren voor het aannemen van wederzijdse zorg. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de feiten onvoldoende zijn voor het aannemen van wederzijdse zorg en onderschreef de motivering van de voorzieningenrechter. Het hoger beroep werd verworpen omdat het college geen nieuwe gezichtspunten aanvoerde.
De Raad bevestigde daarmee de vernietiging van het besluit tot beëindiging van de bijstand en veroordeelde het college in de proceskosten van betrokkene. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 6 november 2012.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt verworpen en de uitspraak van de voorzieningenrechter wordt bevestigd.