ECLI:NL:CRVB:2012:BY1228
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstand wegens vermogen boven de vermogensgrens
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij een heronderzoek in 2009 stelde het dagelijks bestuur vast dat het vermogen van appellant en zijn echtgenote hoger was dan de vrij te laten vermogensgrens, mede vanwege een bankrekening op hun naam met een saldo van ruim €27.500.
Het dagelijks bestuur beëindigde de bijstand per 1 september 2009 en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond. Appellant voerde aan dat het tegoed op de bankrekening geen vermogen was, maar een schuld aan een vennootschap, ondersteund door een verklaring van een accountant. De Raad oordeelde echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestond.
De Raad stelde vast dat het tegoed op de bankrekening als vermogen moet worden aangemerkt en dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door de rekening niet te vermelden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de bijstand wegens vermogen boven de vrij te laten grens en wijst het verzoek om schadevergoeding af.