ECLI:NL:CRVB:2012:BY0601

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5818 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid tot arbeid na 6 april 2009

Appellant was bijna 30 jaar chef-onderhoudsmonteur en werkte na faillissement 24 uur per week als onderhoudsmonteur naast een WW-uitkering. Vanaf 24 juli 2008 meldde hij zich ziek wegens rugklachten en ontving ziekengeld. Het UWV beëindigde het ziekengeld per 6 april 2009 omdat appellant niet langer ongeschikt werd geacht voor arbeid.

De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze beslissing ongegrond, omdat het onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was en appellant op en na 6 april 2009 geschikt werd geacht voor arbeid. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanwege rugklachten en vermoeidheid niet meer dan 24 uur kon werken.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellant naast zijn WW-uitkering 24 uur per week bleef werken. Er was geen medische informatie overgelegd die het standpunt van het UWV kon weerleggen. De Raad bevestigde daarom de beëindiging van het ziekengeld en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 6 april 2009 wordt bevestigd.

Uitspraak

10/5818 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 17 september 2010, 09/1895 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2012. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is gedurende bijna 30 jaar voltijds werkzaam geweest als chef-onderhoudsmonteur bij een pluimveeslachterij. Wegens faillissement is dit dienstverband in 2003 beëindigd, waarna aan appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) is toegekend. Sedert 2003 is appellant voor 24 uur per week werkzaam als onderhoudsmonteur bij de firma [D.]. Daarnaast ontvangt appellant voor 16 uur per week een WW-uitkering. Op 24 juli 2008 heeft appellant zich vanuit zijn uitkeringssituatie ingevolge de WW ziek gemeld vanwege rugklachten. Naar aanleiding hiervan is aan appellant ziekengeld toegekend. Appellant is zijn werkzaamheden bij [D.] voor 24 uur per week blijven verrichten.
1.2. Bij besluit van 3 april 2009 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hem met ingang van 6 april 2009 geen ziekengeld meer wordt uitgekeerd, omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
1.3. Bij besluit van 8 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 april 2009 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het onderzoek naar de beperkingen van appellant door de verzekeringsartsen onjuist, onvolledig of onzorgvuldig zou zijn geweest en is van oordeel dat het Uwv terecht en op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellant op en na 6 april 2009 niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
3. Appellant heeft in hoger beroep (samengevat) herhaald dat hij vanwege zijn rugklachten en de daarmee samenhangende vermoeidheid, niet in staat is om meer dan (de huidige) 24 uur per week te werken.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben appellant onderzocht, het dossier bestudeerd en informatie van de huisarts en van de neuroloog bij hun onderzoek betrokken. Zij hebben hun bevindingen op verantwoorde en inzichtelijke wijze gerapporteerd.
4.2. Bij de beoordeling van de vraag of appellant op en na 6 april 2009 in staat was tot het verrichten van zijn arbeid voor 16 uur per week, komt in lijn met hetgeen de Raad eerder in een soortgelijk geval heeft overwogen (zie de uitspraak van 1 oktober 2002, LJN AE9293) ook betekenis toe aan de omstandigheid dat appellant op en na die datum tevens arbeid in dienstbetrekking is blijven verrichten gedurende 24 uur per week op drie aaneengesloten dagen.
4.3. Het Uwv heeft terecht besloten dat appellant op en na 6 april 2009 geschikt kan worden geacht voor zijn arbeid en om die reden per genoemde datum de betaling van ziekengeld beëindigd. Door appellant is in hoger beroep geen informatie van medische aard overgelegd op grond waarvan een andersluidend standpunt kan worden ingenomen met betrekking tot zijn geschiktheid voor arbeid op en na 6 april 2009. Aan de enkele vermelding door appellant dat hij zich - op een niet concreet aangeduid moment - onder behandeling heeft gesteld van Via Sana, kan niet de betekenis worden toegekend die appellant daaraan wenst te verbinden.
5. Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2012.
(getekend) C.P.J. Goorden
(getekend) E. Heemsbergen