ECLI:NL:CRVB:2012:BY0458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling buitenlandbijdrage en woonlandfactor bij zorgkosten voor in Duitsland wonende gepensioneerde
Appellant, een in Duitsland wonende gepensioneerde, betwistte de inhouding van een bijdrage op zijn Nederlandse pensioen ter zake van zorgkosten in het buitenland, de zogenaamde buitenlandbijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Hij stelde dat deze inhouding neerkomt op een AWBZ-premie, terwijl hij in Duitsland geen recht heeft op AWBZ-zorg, en betoogde dat dit leidt tot discriminatie en belemmering van het vrij verkeer.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de inhouding op het pensioen geen AWBZ-premie is, maar een buitenlandbijdrage conform artikel 69 Zvw Pro, die verschuldigd is voor de medische zorgkosten ten laste van Nederland volgens verordening (EEG) nr. 1408/71. De inkomensafhankelijke bijdrage, onderdeel van deze buitenlandbijdrage, wordt berekend overeenkomstig de AWBZ-premie, maar betreft een pseudo-AWBZ-premie die niet gelijkgesteld kan worden met een echte AWBZ-premie.
Verder stelde de Raad vast dat appellant recht heeft op zorg in Duitsland volgens het woonlandpakket, en dat de woonlandfactor de verhouding tussen het Duitse en Nederlandse zorgpakket weerspiegelt. De toepassing van de woonlandfactor leidt niet tot een disproportionele of willekeurige ongelijke behandeling van appellant ten opzichte van in Nederland woonachtige premieplichtigen. De Raad concludeerde dat er geen strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur, en bevestigde de eerdere uitspraak dat het bezwaar van appellant ongegrond is.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de inhouding op het pensioen een buitenlandbijdrage betreft en wijst het beroep van appellant af.