ECLI:NL:CRVB:2012:BX8066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag WW-uitkering trainingsacteur en toepassing verlaagde wekeneis
Appellant, werkzaam als trainingsacteur, vroeg een WW-uitkering aan nadat zijn werkzaamheden waren beëindigd. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant in de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid niet in ten minste 26 weken had gewerkt. Appellant stelde dat zijn werkzaamheden als artiest moesten worden aangemerkt, waardoor de verlaagde wekeneis van toepassing zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat alleen werknemers werkzaam in de culturele sector als artiest in de zin van het Besluit kunnen worden aangemerkt, en dat dit niet op appellant van toepassing was. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad benadrukte dat een restrictieve uitleg van het begrip artiest noodzakelijk is, waarbij niet alleen de aard van de werkzaamheden, maar ook de werkomgeving van belang is.
Appellant voerde aan dat fiscale regelingen een bredere definitie van artiest hanteren, maar de Raad stelde dat deze definities niet relevant zijn voor de toepassing van het Besluit. De werkzaamheden van appellant vonden plaats in het kader van een opleiding en werden uitgevoerd in samenwerking met een psycholoog, gericht op leidinggevenden in de gezondheidszorg, en kunnen daarom niet als artistiek worden beschouwd. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de aanvraag WW-uitkering wordt afgewezen wegens niet voldoen aan de wekeneis.