ECLI:NL:CRVB:2012:BX3811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvorderingsbesluit bijstand wegens onvoldoende feitelijke grondslag gezamenlijke huishouding
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de terugvordering van bijstand centraal die het college van burgemeester en wethouders van Groningen heeft opgelegd aan appellant en [E.]. Het college stelde dat appellant en [E.] vanaf 1 februari 2002 een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor bijstandskosten mede van appellant konden worden teruggevorderd.
De Raad beoordeelt dat voor de periode vanaf 27 juli 2003 tot en met 31 mei 2004 het college terecht de bijstand heeft ingetrokken en kosten heeft teruggevorderd. Voor de periode van 1 februari 2002 tot 21 september 2002 is echter onvoldoende feitelijke grondslag om te concluderen dat appellant zijn hoofdverblijf in de woning van [E.] had en dat sprake was van gezamenlijke huishouding. De verklaringen van buurtbewoners zijn onvoldoende concreet, en de verklaringen van appellant en [E.] spreken elkaar deels tegen.
De Raad vernietigt daarom het besluit voor zover het de terugvordering van bijstandskosten over deze periode betreft en draagt het college op een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstandskosten over de periode 1 februari 2002 tot 21 september 2002 wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.