ECLI:NL:CRVB:2012:BX3761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herleving recht op WW-uitkering en beoordeling bijzonder geval volgens artikel 23 WW
Appellant diende in mei 2002 een aanvraag in voor een WW-uitkering, die door het UWV buiten behandeling werd gesteld wegens het niet aanleveren van het eerste werkbriefje. Appellant heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. In december 2008 werd opnieuw een aanvraag ingediend, waarop het UWV aanvankelijk afwees wegens niet voldoen aan de referte-eis, maar later het recht op WW-uitkering herleefde met ingang van december 2002, zonder uitbetaling over de periode tot oktober 2004 vanwege het ontbreken van een bijzonder geval.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet tijdig bezwaar kon maken tegen het besluit uit 2002 en interpreteerde dat appellant geen beroep deed op artikel 23 van Pro de WW. De Centrale Raad vernietigt deze uitspraak omdat deze interpretatie onjuist is en beoordeelt zelf of het UWV terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van een bijzonder geval.
De Raad stelt vast dat de aanvraag van 2002 definitief buiten behandeling is gesteld en dat het bestreden besluit betrekking heeft op de aanvraag van 2008. Artikel 23 WW Pro bepaalt dat uitkering niet kan worden vastgesteld over perioden langer dan 26 weken voor de aanvraag, tenzij sprake is van een bijzonder geval. Appellant voerde medische problematiek aan als bijzonder geval, maar de Raad oordeelt dat dit niet aannemelijk is omdat appellant in staat was een aanvraag in te dienen, ook gezien eerdere aanvragen en werkzaamheden.
De Raad verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van een bijzonder geval voor herleving van de WW-uitkering.