ECLI:NL:CRVB:2012:BX2174
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag WW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellante was in dienst bij een werkgever tot haar ontslag op 10 juni 2010 wegens het ontbreken van een geldige werkvergunning. Zij vroeg daarop een WW-uitkering aan, die door het Uwv werd geweigerd omdat zij geen werkvergunning had. Na een bezwaarprocedure die niet ontvankelijk werd verklaard, diende zij een nieuwe aanvraag in, welke eveneens werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar aanvraag een duuraanspraak betrof en dat een inhoudelijke toetsing van haar stelling dat geen werkvergunning vereist was, noodzakelijk was. De Raad oordeelde echter dat het eerdere besluit onherroepelijk was en dat het Uwv de bevoegdheid heeft om besluiten te heroverwegen, maar dat dit niet mag leiden tot een volledige inhoudelijke toetsing als bij een oorspronkelijk besluit.
De Raad overwoog dat nieuwe argumenten die al bij het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht, niet als nieuwe feiten gelden. De stelling van appellante dat geen werkvergunning nodig was, was reeds eerder aan de orde geweest en kon niet opnieuw inhoudelijk worden beoordeeld. De jurisprudentie over duuraanspraken is niet van toepassing omdat het recht op WW-uitkering slechts op één moment kan ontstaan. De aanvraag van 2 februari 2011 was een verzoek tot heroverweging van het eerdere, onherroepelijke besluit.
De Raad concludeerde dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren en dat het Uwv in redelijkheid kon besluiten het eerdere besluit te handhaven. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WW-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.