ECLI:NL:CRVB:2012:BX0642
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking directeur-grootaandeelhouder
Appellante, voormalig gevolmachtigd directeur en aandeelhouder van een besloten vennootschap, verzocht om een WW-uitkering na haar schorsing en het faillissement van de BV. Het UWV wees de aanvraag af omdat geen sprake was van een gezagsverhouding, een vereiste voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking onder de WW.
De rechtbank oordeelde dat appellante als 50% aandeelhouder en gevolmachtigd directeur feitelijk zeggenschap had en geen ondergeschikte positie innam. Dit oordeel werd bevestigd door de Centrale Raad van Beroep, die tevens verwees naar de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder, waarin is bepaald dat een bestuurder met ten minste de helft van de stemmen niet als werknemer wordt beschouwd.
Appellante voerde aan dat zij loon ontving en ondergeschikt was, maar de Raad vond onvoldoende aanwijzingen voor een gezagsverhouding. Ook de schorsing en het beslag op aandelen veranderden hier niets aan. De Raad bevestigde het oordeel dat appellante niet verzekerd was voor de WW en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen privaatrechtelijke dienstbetrekking had en wijst haar WW-uitkering af.