ECLI:NL:CRVB:2012:BW9588
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Ziektewetuitkering wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen
Appellant meldde zich op 21 januari 2008 ziek met rugklachten en ontving vanaf 21 april 2008 een Ziektewetuitkering. In september 2009 werd een re-integratieplan opgesteld, waarin appellant zou werken bij de AM groep. Appellant werkte slechts twee dagdelen en meldde zich daarna ziek.
Het UWV legde op 26 oktober 2009 een maatregel op tot verlaging van de ZW-uitkering met 15%, wegens verwijtbare onvoldoende medewerking aan re-integratie. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij niet adequaat was onderzocht door een verzekeringsarts.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht had geconcludeerd dat appellant onvoldoende inspanningen had verricht zonder geldige reden. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts een volledige heroverweging had uitgevoerd, inclusief het opvragen van medische informatie bij de huisarts.
De Raad vond geen aanwijzingen dat de rugklachten zodanig ernstig waren dat het werk niet redelijkerwijs van appellant kon worden verlangd. De aanvullende informatie van appellant betrof een andere periode en kon het oordeel niet wijzigen. Het hoger beroep werd verworpen en de verlaging van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de Ziektewetuitkering met 15% wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie wordt bevestigd.