ECLI:NL:CRVB:2012:BV9344
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens onwerkbaar weer voor binnendienstmedewerkers tijdens vorstperiode
Betrokkenen, werkzaam in de binnendienst bij een betonproductenbedrijf, werden tijdens de vorstperiode in de winter van 2009/2010 bij toerbeurt naar huis gestuurd vanwege stillegging van werkzaamheden door vorst. Zij vroegen een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd afgewezen omdat de werkgever volgens het UWV verplicht was loon door te betalen.
De rechtbank stelde echter dat artikel 18 van Pro de WW niet beperkt is tot werkloosheid die direct door vorst wordt veroorzaakt en kende de uitkering toe. Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat de werkgever op grond van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) en de toepasselijke cao niet was vrijgesteld van loondoorbetaling, omdat de werktijdverkorting een indirect gevolg was van vorst.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de werkgever terecht geen ontheffing hoefde te vragen voor werktijdverkorting en dat de cao-regeling inhoudt dat bij onwerkbaar weer geen loondoorbetalingsplicht bestaat voor alle werknemers, ook binnendienstmedewerkers. De Raad stelde dat artikel 18 WW Pro restrictief moet worden uitgelegd en dat alleen werknemers die hun werkzaamheden in de buitenlucht niet kunnen verrichten, aanspraak kunnen maken op deze uitkering. Omdat de binnendienstmedewerkers niet uitsluitend door vorst werkloos waren, is hun beroep op artikel 18 WW Pro niet gegrond.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraken voor zover daarin de besluiten van 23 april 2010 waren herroepen en bevestigde dat de rechtsgevolgen van de besluiten van 18 juni 2010 in stand blijven. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van € 874,-.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het beroep op WW-uitkering wegens onwerkbaar weer af voor binnendienstmedewerkers omdat zij niet uitsluitend door vorst werkloos zijn.