ECLI:NL:CRVB:2012:BV8156
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij weigering verhoging bijstandsuitkering
Betrokkene ontvangt sinds 2000 bijstand als alleenstaande. In 2009 is gemeld dat betrokkene samenwoonde met een persoon met Duitse nationaliteit, waarop het college de bijstand niet verhoogde naar de gehuwdennorm. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en legde een voorlopige voorziening op tot verhoging van de bijstand.
Het college stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de rechtbankuitspraak te voorkomen. Het college voerde aan dat uitvoering tot ongewenste financiële gevolgen leidt en dat het onduidelijk is hoe lang de extra betalingen moeten worden gedaan.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Een mogelijk financieel risico in de toekomst is onvoldoende om de uitspraak niet af te wachten. Ook is de situatie gewijzigd doordat betrokkene niet langer samenwoont, waardoor het college binnen korte tijd een nieuw besluit kan nemen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.