ECLI:NL:CRVB:2012:BV5592
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld en beoordeling arbeidsgeschiktheid bij matige depressie en pathologische rouw
Appellante, werkzaam als tuinbouwmedewerkster, meldde zich op 27 maart 2008 ziek en ontving een Ziektewetuitkering die op 16 maart 2009 werd beëindigd. Na bezwaar en beroep werd het besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek, waarna het UWV een nieuw besluit nam dat opnieuw werd bestreden. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De kern van het geschil betreft de vraag of appellante per 23 maart 2009 en 3 november 2009 geschikt was om haar eigen arbeid te verrichten en of er een noodzaak bestond tot een geleidelijke opbouw van arbeidsuren. De Raad oordeelt dat het UWV en de rechtbank terecht hebben vastgesteld dat er geen medische noodzaak was voor een urenbeperking, mede gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts die rekening hield met de matige depressie en pathologische rouw.
Appellante voerde aan dat het UWV de Standaard verminderde arbeidsduur en toegenomen beperkingen niet had meegewogen, maar de Raad stelt dat deze standaard niet van toepassing is bij een Ziektewetbeoordeling en dat er geen aanwijzingen zijn dat haar beperkingen waren toegenomen. Het rapport van de revalidatiearts wordt slechts beperkt gevolgd omdat deze zich buiten zijn specialisme begaf bij de beoordeling van psychische belastbaarheid.
De Raad concludeert dat appellante geschikt was voor haar arbeid en dat het hoger beroep niet slaagt. Er is geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige of voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.