ECLI:NL:CRVB:2012:BV3131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet
Appellant was sinds 1 januari 2009 in dienst bij een werkgever en werd op 6 augustus 2009 op staande voet ontslagen wegens roekeloos gedrag en meerdere waarschuwingen voor niet verschijnen op het werk. Hoewel het ontslag later werd ingetrokken en een schadevergoeding werd betaald, weigerde het UWV de WW-uitkering met ingang van 1 november 2009 omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het ingetrokken ontslag de dringende reden voor werkloosheid wegneemt en dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd welke gedragingen als dringende reden gelden.
De Raad oordeelt dat de wijze van beëindiging van het dienstverband niet doorslaggevend is en bevestigt dat de gedragingen van appellant, waaronder roekeloos rijden en het in gevaar brengen van collega’s, samen met eerdere waarschuwingen, een objectieve dringende reden vormen. Persoonlijke omstandigheden verhinderen geen onmiddellijke ontslagverlening. Verminderde verwijtbaarheid is niet aannemelijk gemaakt.
Daarom is de weigering van de WW-uitkering terecht en wordt het hoger beroep afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet.