ECLI:NL:CRVB:2012:BV2330
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het College stelde na onderzoek vast dat zij vanaf 15 september 2008 een gezamenlijke huishouding voerde met appellant, zonder dit te melden. Hierdoor was zij niet zelfstandig rechtssubject voor bijstand. Het College trok de bijstand in en vorderde de kosten terug, mede van appellant.
De Raad maakte onderscheid tussen periode 1 (17 september 2008 tot 28 mei 2009) en periode 2 (28 mei 2009 tot 16 november 2009). Voor periode 1 was vereist dat appellant hoofdverblijf had in de woning van appellante en dat sprake was van wederzijdse zorg. Dit werd bevestigd op basis van verklaringen, observaties en registratie bij uitzendbureaus. Voor periode 2 was vanwege de geboorte van een kind alleen het hoofdverblijf relevant, wat eveneens werd vastgesteld.
De Raad verwierp het verweer dat afspraken met de sociale dienst de situatie anders maakten. Appellanten hadden de gezamenlijke huishouding niet gemeld, wat een inlichtingenplichtschending is. Dit gaf het College de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van bijstandskosten. Omdat appellant degene was met wiens middelen rekening moest worden gehouden, kon het College ook van hem terugvorderen.
Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De bijstand van appellante wordt ingetrokken en de kosten worden van appellante en appellant teruggevorderd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.