ECLI:NL:CRVB:2012:BV1798
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging medeterugvordering wegens onvoldoende feitelijke grondslag gezamenlijke huishouding
Het College van burgemeester en wethouders van Nijmegen stelde betrokkene hoofdelijk aansprakelijk voor een vordering op een derde, gebaseerd op de veronderstelling dat betrokkene en deze derde een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank vernietigde deze medeterugvordering omdat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor de gezamenlijke huishouding.
Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. Dit oordeel is mede gebaseerd op een eerdere uitspraak waarin eveneens werd geoordeeld dat de gezamenlijke huishouding onvoldoende feitelijk was vastgesteld.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd overwogen dat de proceskosten voor rechtsbijstand reeds waren vergoed en dat geen verdere kostenvergoeding was aangevraagd.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 17 januari 2012, waarbij de griffierechten werden opgelegd aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep van het College wordt afgewezen en de vernietiging van de medeterugvordering wordt bevestigd.