ECLI:NL:CRVB:2012:BV0249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op dringende grond
Appellante was sinds 23 januari 2006 in dienst als facilitair medewerkster en werd op 6 februari 2008 op staande voet ontslagen wegens dringende reden, namelijk herhaald ongeoorloofd verzuim en het niet volgens voorschriften opnemen van vakantiedagen. De werkgever had haar meerdere malen schriftelijk en mondeling gewaarschuwd.
Appellante vroeg een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat zij verwijtbaar werkloos was. Na bezwaar en beroep bij het Uwv en de rechtbank werd het besluit herzien, waarbij de eerste werkloosheidsdag werd vastgesteld op 1 april 2008 en de uitkering definitief geweigerd.
In hoger beroep stelde appellante dat zij altijd goed functioneerde, dat er overleg was over vakanties en dat zij ziek was tijdens afwezigheid, maar zij kon dit niet feitelijk onderbouwen. De Raad concludeerde dat de werkgever terecht een dringende reden had om de arbeidsovereenkomst te beëindigen en dat appellante verwijtbaar werkloos was geworden.
De persoonlijke omstandigheden van appellante stonden het ontslag niet in de weg en het oordeel van de kantonrechter over verwijtbaarheid bij ontbinding was niet doorslaggevend voor het Uwv. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op dringende grond.