ECLI:NL:CRVB:2011:BV0002
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW-uitkering wegens zelfstandige werkzaamheden en oplegging boete
Appellant ontving vanaf 1 juli 2009 een WW-uitkering en kreeg toestemming om tussen 13 juli en 4 oktober 2009 met behoud van uitkering onderzoek te doen naar het starten van een eigen bedrijf, waarbij alleen onderzoeksactiviteiten waren toegestaan. Vanaf 5 oktober 2009 verleende het UWV toestemming om met behoud van uitkering werkzaamheden in het eigen bedrijf te verrichten, maar beëindigde de uitkering per 5 april 2010.
Uit een onderzoeksrapport bleek dat appellant vanaf 24 augustus 2009 al 40 uur per week aan zijn onderneming werkte, waaronder verbouwing van bedrijfsruimte en het binnenhalen van opdrachten, waardoor hij zijn werknemerschap verloor. Appellant had dit niet gemeld en schond daarmee zijn inlichtingenplicht. Het UWV trok de uitkering in, vorderde onverschuldigde betalingen terug en legde een boete op.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat geen dringende redenen bestonden om van intrekking en terugvordering af te zien. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij geen zelfstandige werkzaamheden had verricht en dat het UWV onvoldoende had geïnformeerd, maar de Raad vond deze stellingen niet aannemelijk.
De Raad bevestigde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat het UWV terecht de uitkering introk en de boete oplegde. De opgelegde boete van €1.250,- werd als evenredig beschouwd gezien de ernst van de overtreding. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt intrekking WW-uitkering, terugvordering en boete wegens zelfstandige werkzaamheden en schending inlichtingenplicht.