ECLI:NL:CRVB:2011:BU1982
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering wegens vermeende arbeid onder valse identiteit
Appellant ontving een WW-uitkering vanaf november 2005. Het Uwv herzag deze uitkering en vorderde terugbetaling over de periode februari 2006 tot september 2007, omdat appellant volgens het Uwv als kippenvanger onder de identiteit van zijn dochter had gewerkt. Tevens werd een boete opgelegd wegens het schenden van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de herziening en boete. Appellant stelde in hoger beroep dat onvoldoende bewijs was geleverd dat hij daadwerkelijk voor de werkgever had gewerkt.
De Raad stelde vast dat het Uwv onvoldoende bewijs had aangeleverd om het vermoeden van arbeid onder de identiteit van de dochter te bevestigen. Getuigenverklaringen waren onvoldoende specifiek en konden niet de omvang van de vermeende arbeid aantonen. Gezien het tijdsverloop achtte de Raad nader onderzoek niet zinvol.
Daarom vernietigde de Raad de besluiten tot herziening, terugvordering en boeteoplegging en veroordeelde het Uwv in de kosten van appellant. Het hoger beroep werd gegrond verklaard.
Uitkomst: De besluiten tot herziening en terugvordering van de WW-uitkering en de boeteoplegging worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs.