ECLI:NL:CRVB:2011:BT8351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-naleving inlichtingenplicht
Appellant ontving sinds 1995 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een heronderzoek in 2004 bleek dat appellant sinds 1996 een betaalrekening en sinds 2001 een beleggingsrekening op zijn naam had, waarvan hij het College niet had geïnformeerd. Het College besloot daarop in 2008 de bijstand over meerdere periodes te herzien en terug te vorderen tot een bedrag van €30.169,87.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden en het College bevoegd was tot herziening en terugvordering. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, stellende dat appellant redelijkerwijs had moeten weten dat de bankrekeningen en tegoeden relevant waren voor zijn recht op bijstand. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen, mede omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan en het College na de kennisname van de rekeningen in 2004 nog nader onderzoek moest verrichten.
De Raad wees tevens het argument van appellant af dat hij niet beschikte over de tegoeden, en benadrukte dat het niet verstrekken van informatie de bewijspositie van appellant heeft verslechterd. De passage in het onderzoeksrapport over vermeende betrokkenheid bij illegale activiteiten werd niet betrokken bij de besluitvorming. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.