ECLI:NL:CRVB:2011:BT7093
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling fictieve dag van opzegging na faillissement en vernietiging besluiten UWV
Deze zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen besluiten van het UWV over de vaststelling van de fictieve dag van opzegging van zijn dienstverband na het faillissement van zijn werkgever. Na een tussenuitspraak en een nieuw besluit van het UWV, waarin de fictieve dag van opzegging werd vastgesteld op 12 september 2008, was appellant het hier niet mee eens.
De Raad onderzocht of de curator onnodig lang had getalmd met het effectueren van het ontslag. Uit het dossier bleek dat de machtiging van de rechter-commissaris waarschijnlijk op 11 of 12 september 2008 bij de curator was ontvangen, maar dat de opzeggingsbrieven pas op 16 september 2008 werden verzonden. Gezien de omstandigheden had de curator uiterlijk op 15 september 2008 de opzegging moeten verzenden.
De Raad oordeelde dat het UWV bevoegd was om een fictieve dag van opzegging te bepalen, maar dat het deze dag ten onrechte op 12 september 2008 had vastgesteld. Hierdoor was ook de opzegtermijn en de periode van uitkering onjuist vastgesteld. De Raad vernietigde de besluiten van het UWV en stelde de fictieve dag van opzegging vast op 13 oktober 2008. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: De Raad stelt de fictieve dag van opzegging vast op 13 oktober 2008 en vernietigt de besluiten van het UWV.