ECLI:NL:CRVB:2011:BT6700
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering ziekengeld wegens vermeende benadelingshandeling bij beëindiging arbeidsovereenkomst tijdens ziekte
Appellant viel wegens ziekte uit en werkte bij een bakkerij die werd overgenomen en gesloten. Hij tekende een vaststellingsovereenkomst met een beëindigingsvergoeding. Het UWV weigerde zijn ziekengeld met het argument dat appellant een benadelingshandeling had gepleegd door zonder deugdelijke grond verweer te weigeren tegen de beëindiging van zijn dienstverband tijdens ziekte.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV omdat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet was gemotiveerd. Het UWV handhaafde het besluit, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het UWV ten onrechte aannam dat appellant een benadelingshandeling had gepleegd, omdat het nauwelijks waarschijnlijk was dat appellant in een ontbindingsprocedure een hogere vergoeding had kunnen verkrijgen dan het persoonlijk budget dat was aangeboden. De Raad droeg het UWV op het gebrek in het besluit te herstellen en wees het beroep op het gelijkheidsbeginsel in deze uitspraak niet inhoudelijk toe.
De uitspraak bevestigt het ontslagverbod tijdens ziekte en de uitzonderingen daarop, en benadrukt dat instemming met ontslag tijdens ziekte niet zonder redelijke grond kan worden aangemerkt als benadeling van de fondsen.
Uitkomst: Het UWV moet het besluit tot weigering van ziekengeld herstellen omdat geen benadelingshandeling is vastgesteld.