ECLI:NL:CRVB:2011:BR5726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling AOW-toeslag bij aanvullende inkomensvoorziening ouderen voor niet-duurzaam gescheiden echtgenoot in buitenland
Betrokkene, een 65-plusser, ontving een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Zijn echtgenote woonde in Marokko en had geen recht op bijstand. De Sociale verzekeringsbank (appellant) rekende de AOW-toeslag die betrokkene ontving deels als inkomen mee, wat leidde tot een geschil over de juiste toepassing van de WWB.
De rechtbank vernietigde het besluit van de appellant en oordeelde dat de AOW-toeslag ten behoeve van de echtgenoot in het buitenland niet tot de middelen van betrokkene behoort. De appellant ging hiertegen in hoger beroep. De Raad bevestigde dat het beleid van de appellant, dat de toeslag alleen buiten aanmerking laat als betrokkene eenvoudig kan aantonen dat hij er niet over kan beschikken, in strijd is met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB.
Verder overwoog de Raad dat het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot in het buitenland slechts in aanmerking moet worden genomen voor zover het de bijstandsnorm te boven gaat, conform artikel 32, vierde lid, van de WWB. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak waarin de rechtbank zelf in de zaak voorzag en bepaalde dat appellant een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: De Raad vernietigt het deel van de uitspraak waarin de rechtbank zelf in de zaak voorzag en beveelt de SVB een nieuw besluit te nemen over de AIO-aanvulling met correcte toepassing van de WWB.