ECLI:NL:CRVB:2011:BR4682
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- M. Greebe
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens vermeend verwijtbaar werkloos na ontslag op staande voet niet voldoende gemotiveerd
Appellant was werkzaam als beveiliger en werd op staande voet ontslagen wegens ongewenst gedrag tegenover een vrouwelijke collega. Het UWV weigerde hem een WW-uitkering toe te kennen op grond van verwijtbare werkloosheid, omdat volgens het UWV sprake was van een dringende reden zoals bedoeld in artikel 7:678 BW Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat het UWV mocht uitgaan van de vastgestelde feiten. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de aard en ernst van het gedrag niet voldoende waren vastgesteld en dat het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de kantonrechter niet had vastgesteld dat de gedragingen waarop het ontslag was gebaseerd daadwerkelijk hadden plaatsgevonden. De Raad stelde vast dat alleen het telefonische contact op 12 juli 2008 als vaststaand kon worden aangenomen, maar dat dit op zichzelf geen dringende reden vormde. Het UWV werd opgedragen het besluit te herzien en opnieuw te motiveren binnen zes weken.
De Raad kon niet zelf in de zaak voorzien omdat daarvoor aanvullende gegevens nodig zijn en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en onduidelijkheid over de dringende reden.