[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 28 april 2010, 09/970 (aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 27 juli 2011
Namens appellante heeft mr. S.G. Volbeda, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 17 juni 2010 heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat, zich als nieuwe gemachtigde van appellante gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Voets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.
1. Bij besluit van 23 januari 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 15 maart 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Beslissend op het bezwaar van appellante heeft het Uwv bij besluit van 15 mei 2009 (bestreden besluit) zijn standpunt gehandhaafd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder is dan 35%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
3. Appellante heeft in hoger beroep haar stelling herhaald dat zij door pijn aan haar nek, beide schouders, armen, handen en vingers volledig arbeidsongeschikt is. Zij heeft dit standpunt onderbouwd met informatie van de behandelend sector. Zij heeft de Raad verzocht om een onafhankelijk specialist te benoemen. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de voor haar geselecteerde functies niet geschikt zijn.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. Bij het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen is de informatie van de behandelend sector uitdrukkelijk en in voldoende mate in de beoordeling meegewogen. De verzekeringsarts heeft appellante blijkens zijn rapport van 19 december 2008 beperkt geacht ten aanzien van zware nek-, schouder- en armbelasting. De bezwaarverzekeringsarts heeft de bevindingen van de verzekeringsarts in haar rapportage van 7 mei 2009 onderschreven. Tevens heeft de opvolgend bezwaarverzekeringsarts in zijn rapporten van 24 september 2010 en 3 maart 2011 gereageerd op de door appellante in hoger beroep ingebrachte medische informatie. Deze informatie laat volgens deze bezwaarverzekeringsarts geen ander beeld zien dan al bij het Uwv bekend was. Appellante heeft geen medische informatie ingebracht die aannemelijk maakt dat de bevindingen van het Uwv onjuist zijn. Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 december 2008 voor onjuist te houden.
4.3. Ten aanzien van het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen, oordeelt de Raad dat uit de voorhanden medische rapporten, inclusief die van de behandelend sector, voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante op de datum in geding geldende beperkingen te kunnen komen, zodat dat verzoek niet wordt gehonoreerd.
4.4. De schatting is gebaseerd op de functies van kassamedewerker groothandel (Sbc-code 317030), printplaatmonteuse (Sbc-code 267050) en draadweefster (Sbc-code 264122). De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante op 15 maart 2009 in staat kon worden geacht deze functies te vervullen. Voor zover uit het Resultaat functiebeoordeling blijkt van een belasting in een functie die de in de FML neergelegde belastbaarheid van appellante te boven lijkt te gaan, is gemotiveerd uiteengezet dat de functie toch voor appellante geschikt is.
4.5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.A. van Amerongen.