ECLI:NL:CRVB:2011:BR2422
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WW-uitkering op basis van wettelijke rekenformule voor zelfstandigen
Appellant ontving een WW-uitkering en kreeg toestemming om met behoud van uitkering werkzaamheden als zelfstandig boekhouder te verrichten. Het UWV bracht 70% van de inkomsten als zelfstandige in mindering op de uitkering en stelde een voorschot vast. Later werd vastgesteld dat appellant een te hoog voorschot had ontvangen, waarna het UWV een bedrag terugvorderde.
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering en voerde aan dat de berekening onbillijk was omdat hij nauwelijks investeringen had gedaan in het eerste jaar en inkomsten uit 2007 deels betrekking hadden op werkzaamheden uit 2006. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV gebonden is aan de wettelijke rekenformule zoals neergelegd in het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en verzocht de Raad om het UWV te verplichten de Staatssecretaris te verzoeken om afwijking van de rekenformule toe te staan. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV geen ruimte heeft om af te wijken van de wettelijke regeling en dat het Besluit geen mogelijkheid biedt om inkomsten uit 2007 buiten beschouwing te laten.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de WW-uitkering bevestigd.