ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt afwijzing AOW-uitkering wegens onjuiste toetsing
Appellant, geboren in 1934 en woonachtig in Marokko, heeft in 1999 een AOW-uitkering aangevraagd op basis van zijn verblijf en werk in Nederland tussen 1971 en 1978. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees zijn aanvraag in 2002 af omdat niet was gebleken dat appellant verzekerd was voor de AOW. Appellant deed in 2005 en opnieuw in 2009 een verzoek tot toekenning van de uitkering, dat ook werd afgewezen met verwijzing naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het eerdere besluit van 2002 rechtens onaantastbaar is, maar dat het toetsingskader dat de Svb en rechtbank hebben gehanteerd onjuist was. De Raad stelt dat bij duuraanspraken een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst en dat de toetsing van de Svb onvoldoende was.
De Raad vernietigt het besluit op bezwaar van 1 april 2009 en draagt de Svb op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen volgens het juiste toetsingskader. Gelet op het ingediende bewijs acht de Raad het aannemelijk dat appellant tijdelijk verzekerd is geweest voor de AOW. De uitspraak is gedaan door H.J. Simon op 24 juni 2011.
Uitkomst: Het besluit van de Sociale verzekeringsbank wordt vernietigd en zij wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen volgens het juiste toetsingskader.