ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens onvoldoende voortvarende actie werknemer
Appellant was tijdelijk werkzaam bij een werkgever die in mei 2006 failliet werd verklaard. Hij diende in maart 2007 een aanvraag in voor een WW-uitkering. Het UWV wees deze af omdat appellant niet tijdig en voldoende voortvarend actie had ondernomen om zijn achterstallige loon te innen.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij de werkgever niet direct aansprak om de relatie niet te verstoren en dat professionele hulp te laat werd ingeschakeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant eerder had moeten starten met het in rechte geldend maken van zijn loonvordering.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Uit de stukken blijkt dat appellant pas ruim na het faillissement juridische stappen ondernam, terwijl hij al vanaf september 2005 had moeten merken dat loon niet werd betaald. De Raad stelt dat van een werknemer wordt verlangd tijdig, voldoende voortvarend en gericht actie te ondernemen om loon te innen. De weigering van de WW-uitkering blijft daarom in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens onvoldoende voortvarende en gerichte actie van appellant.