ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden na ontslag op staande voet
Appellant werd op 16 april 2009 ontslagen op staande voet nadat hij een collega met een mes had gestoken. Hij vroeg daarop een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbaar werkloos worden. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht van een dringende reden was uitgegaan en dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden, ondanks zijn lange dienstverband van bijna 28 jaar.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, waaronder dat het dienstverband het aannemen van een dringende reden in de weg zou staan, en gaf hij een andere lezing van het incident. De Raad verwierp deze nieuwe lezing omdat deze pas laat werd ingebracht en niet strookte met de feiten zoals door de werkgever gesteld en niet betwist door appellant.
De Raad oordeelde dat het steken van een collega met een mes een ontoelaatbare gedraging is die objectief een dringende reden vormt voor ontslag op staande voet. De persoonlijke omstandigheden en het lange dienstverband kunnen niet afdoen aan de ernst van de gedraging. Er is geen reden om te veronderstellen dat appellant niet verwijtbaar werkloos is geworden. De weigering van de WW-uitkering wordt daarom bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden na ontslag op staande voet wegens het steken van een collega.