ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vergoeding proceskosten na bezwaar tegen UWV-besluit en redelijke termijn overschrijding
Appellant was in bezwaar gegaan tegen een besluit van het UWV, waarbij de rechtbank Breda het bezwaar gegrond verklaarde en het UWV opdroeg een nieuw besluit te nemen. In het kader van een procedure over schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn gaf appellant schriftelijke reacties op verzoek van de rechtbank. De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat zij geen proceshandelingen zag die daarvoor in aanmerking kwamen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de reactie van appellant op verzoek van de rechtbank op 11 maart 2010 wel degelijk als proceshandeling kwalificeert die voor vergoeding in aanmerking komt. De nadere reactie van 29 april 2010 kwam niet voor vergoeding in aanmerking omdat deze niet op verzoek van de rechtbank was gegeven.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en stelde de proceskosten vast op €161,-, te betalen door UWV en de Staat ieder voor de helft. Daarnaast veroordeelde de Raad UWV en de Staat gezamenlijk tot betaling van de in hoger beroep gemaakte kosten van rechtsbijstand van €874,-, eveneens ieder voor de helft.
De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 8 juni 2011, waarbij tevens werd bepaald dat UWV en de Staat elk de helft van het betaalde griffierecht van €111,- aan appellant vergoeden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt UWV en de Staat tot betaling van proceskosten en kosten van rechtsbijstand.