ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep wijst traplift toe wegens ontoereikendheid scheidingswand als woonvoorziening
Appellante, met een progressieve bewegingsstoornis en beperkte mobiliteit, vroeg op grond van de Wmo een traplift aan omdat zij niet meer op de bovenverdieping kon slapen. Het College wees de aanvraag af en stelde dat het aanbrengen van een scheidingswand de goedkoopste adequate voorziening was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij bij het betrekken van de woning rekening had moeten houden met haar situatie.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen waren toegenomen en dat de scheidingswand geen adequate oplossing bood vanwege onvoldoende manoeuvreerruimte. De Raad stelde vast dat de kern van het geschil de adequaatheid van de scheidingswand als voorziening betrof. Een onafhankelijke arbeidsdeskundige adviseerde dat de scheidingswand een niet ergonomische en onwenselijke situatie creëert.
De Raad volgde dit advies en oordeelde dat het College het besluit moest vernietigen en zelf in de zaak moest voorzien door een traplift toe te kennen. Tevens veroordeelde de Raad het College tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante. De uitspraak vernietigt het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank en wijst de traplift toe als passende woonvoorziening.
Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit en wijst appellante een traplift toe als adequate woonvoorziening.