ECLI:NL:CRVB:2011:BP9811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB
Appellant voerde hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin het beroep tegen een terugvorderingsbesluit van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam ongegrond werd verklaard. Het geschil betrof de vraag of appellant en betrokkene, die sinds 1997 bijstand ontving, een gezamenlijke huishouding voerden, wat gevolgen had voor de hoofdelijke aansprakelijkheid voor terugvordering van ten onrechte betaalde bijstand.
De Raad stelde vast dat op grond van artikel 59, tweede lid, WWB en artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet een onweerlegbaar rechtsvermoeden geldt dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding indien de betrokkenen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en uit hun relatie een kind is geboren. Niet in geschil was dat er een kind uit de relatie was geboren.
De Raad onderschreef de onderzoeksbevindingen van het College, waaronder een onaangekondigd huisbezoek waarbij persoonlijke spullen van beide partijen werden aangetroffen, en concludeerde dat appellant en betrokkene hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Hierdoor was de terugvordering van bijstand van appellant terecht. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.