ECLI:NL:CRVB:2011:BP9429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- H.C.P. Venema
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand en medeterugvordering op grond van gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College stelde vast dat appellante zonder melding een gezamenlijke huishouding voerde met appellant, waardoor bijstand onterecht werd verstrekt. Na onderzoek en rapportage besloot het College de bijstand terug te vorderen over de periode van 1 juli 1997 tot en met 28 februari 2007, mede van appellant.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, omdat de vordering niet was verjaard en de medeterugvordering op grond van artikel 59, tweede lid, WWB terecht was. Appellanten gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad bevestigt dat de verjaringstermijn van vijf jaar aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan bekend is met de feiten die terugvordering rechtvaardigen, hier 10 september 2007. Het College heeft tijdig besluiten genomen om verjaring te voorkomen. De Raad volgt de uitleg dat mede terugvordering van de partner gerechtvaardigd is, ook als die partner een inkomen boven de bijstandsnorm had, omdat diens middelen bij correcte toepassing in aanmerking genomen hadden moeten worden.
Het College heeft gehandeld conform beleidsregels en er is geen reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van bijstand en medeterugvordering wordt bevestigd.