ECLI:NL:CRVB:2011:BP7226

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4500 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:403 BWArt. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 23 WWArt. 64 WW
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde aanvraag overname betalingsverplichtingen wegens niet-naleving termijn

Appellant was sinds 1984 werkzaam bij een werkgever die failliet werd verklaard in 2005. Appellant had een koopsom van €18.625,-- verschuldigd aan het bedrijfstakpensioenfonds, welke niet door de werkgever was voldaan. Op 11 mei 2006 diende appellant een aanvraag in bij het UWV voor overname van deze betalingsverplichting, maar deze werd afgewezen omdat de aanvraag niet binnen de wettelijke termijn van 26 weken na faillissement was ingediend.

Later, op 11 november 2009, diende appellant een herhaalde aanvraag in gericht op overname van de betalingsverplichting door de moedermaatschappij, die hoofdelijk aansprakelijk was voor de schuld van de failliete werkgever. Deze aanvraag werd eveneens afgewezen door het UWV omdat appellant niet in dienst was geweest bij de moedermaatschappij.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de herhaalde aanvraag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatte die een herziening van het eerdere besluit rechtvaardigden. Het arrest dat de hoofdelijkheid bevestigde en de faillietverklaring van de moedermaatschappij waren al bekend ten tijde van het eerste besluit. De Raad bevestigde daarom de afwijzing en het bestreden besluit van het UWV.

De Raad benadrukte dat bij herhaalde aanvragen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden vermeld, anders kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen zonder inhoudelijke toetsing. De rechtbank had het bestreden besluit ten onrechte niet met de vereiste terughoudendheid getoetst, maar dit leidde niet tot een ander oordeel.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde aanvraag wegens niet-tijdige indiening binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

10/4500 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 2 juli 2010, 10/427 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellant is vertegenwoordigd door mr. De Rooij. Voor het Uwv is J.G.M. Huijs verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was sinds 1984 werkzaam bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: [werkgever]). Appellant is per 1 maart 2005 met vervroegd pensioen gegaan. In verband met een voor appellant aan te vullen pensioentekort op 65-jarige leeftijd en de daarvoor verschuldigde koopsom hebben appellant en [werkgever] een “acceptatieformulier aanvulling minimum pensioen i.v.m. uitdiensttreding” ondertekend, waarin is opgenomen dat de door [werkgever] te betalen koopsom € 18.625,-- bedraagt. [werkgever] heeft de koopsom niet aan het Bedrijfstakpensioenfonds Metalektro (hierna: bedrijfspensioenfonds) voldaan. Bij vonnis van 21 september 2005 is [werkgever] in staat van faillissement verklaard.
1.2. Op 11 mei 2006 heeft appellant een aanvraag ingediend bij het Uwv om overneming van de betalingsverplichtingen wegens betalingsonmacht van de werkgever in de zin van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Het verzoek om overneming ziet op de door [werkgever] niet betaalde koopsom van € 18.625,--.
1.3. Bij besluit van 1 juni 2006 heeft het Uwv met overeenkomstige toepassing van artikel 23 van Pro WW, zoals dit destijds luidde, de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat het verzoek niet binnen 26 weken na de uitspraak van het faillissement is ingediend. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van
10 oktober 2006 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.
1.4. Op 11 november 2009 heeft appellant een aanvraag ingediend bij het Uwv om overneming van de betalingsverplichtingen wegens betalingsonmacht van [naam moedermaatschappij] (hierna: [moedermaatschappij]). Het verzoek ziet op overneming van de de verplichting om de verschuldigde koopsom te betalen aan het bedrijfstakpensioenfonds. Appellant heeft toegelicht dat [moedermaatschappij], als moedermaatschappij, op grond van een verklaring ingevolge artikel 2:403, eerste lid, onder f, van het Burgerlijk Wetboek hoofdelijk aansprakelijk was voor de schulden van [werkgever]. Bij besluit van 27 november 2009 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet in dienst is geweest bij [moedermaatschappij]. Bij besluit van 2 maart 2010 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 november 2009 ongegrond verklaard.
2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat appellant niet bij [moedermaatschappij] in dienst is geweest en dat de afkoopsom niet is toe te rekenen aan één van de tijdvakken van artikel 64, aanhef onder
a en b, van de WW.
3. Appellant heeft in hoger beroep erkend dat er geen dienstverband is geweest tussen hem en [moedermaatschappij], maar benadrukt dat de aanvraag berust ‘op grond van het faillissement van [werkgever]’. [moedermaatschappij] diende volgens appellant in te staan voor de schuld van het failliete [werkgever].
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad is van oordeel dat de aanvraag van 11 november 2009 moet worden beschouwd als een herhaalde aanvraag, nu deze ziet op de overneming van de betalingsverplichting met betrekking tot de koopsom, waarvoor appellant reeds op
11 mei 2006 een verzoek om overneming bij het Uwv had ingediend.
4.2. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
4.3. Niettemin is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Artikel 4:6 van Pro de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. De rechtbank heeft het bestreden besluit ten onrechte niet met de vereiste terughoudendheid getoetst.
4.4. Gelet op het overwogene onder 4.3 zal de Raad zich beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het Uwv daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag heeft appellant aangevoerd dat eerst met het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 7 april 2009 (LJN BI0775) vast is komen te staan dat [moedermaatschappij] als moedermaatschappij hoofdelijk aansprakelijk was voor de onvoldaan gebleven schuld van [werkgever] aan het bedrijfstakpensioenfonds en dat [moedermaatschappij] eveneens failliet is verklaard. Het door appellant genoemde arrest en de faillietverklaring van [moedermaatschappij] kunnen naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. De door het Hof ’s-Hertogenbosch bevestigde hoofdelijke aansprakelijkheid van [moedermaatschappij] bestond ook al ten tijde van het besluit van 1 juni 2006. De omstandigheden dat [moedermaatschappij] failliet is verklaard kan niet leiden tot een ander besluit, nu de eerdere aanvraag van appellant is afgewezen op de grond dat deze niet binnen de in artikel 23 (oud) van de WW gestelde termijn van
26 weken door appellant was ingediend en de faillietverklaring van [moedermaatschappij] op 2 juni 2009 daaraan niet af kan doen.
4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M. Mostert.
IvR