ECLI:NL:CRVB:2010:BO7241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding en weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant was als toezichthouder werkzaam bij een werkgever en werd op 29 augustus 2007 op staande voet ontslagen wegens grove misdragingen tegenover een rayonleider, ondanks eerdere waarschuwingen. De kantonrechter ontbond later de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding zonder vergoeding toe te kennen.
Appellant vorderde een WW-uitkering, maar het Uwv weigerde deze omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de gedragingen van appellant een dringende reden vormden die het ontslag rechtvaardigde.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn gedrag werd uitgelokt door denigrerende opmerkingen van de rayonleider, maar dit werd onvoldoende onderbouwd. De Raad concludeerde dat appellant een gewaarschuwd man was en dat zijn gedrag op 29 augustus 2007 een dringende reden vormde voor ontslag.
De Raad bevestigde het oordeel dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en dat het Uwv terecht de WW-uitkering heeft geweigerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid bevestigd.