ECLI:NL:CRVB:2010:BO4031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening kinderbijslag wegens ontbreken huishouden en onvoldoende onderhoud
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn kinderbijslag met terugwerkende kracht vanaf het vierde kwartaal van 1996. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had vastgesteld dat de kinderen niet tot het huishouden van appellant behoorden en dat hij niet voldeed aan de onderhoudseis.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de kinderen voldoende had onderhouden. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel een huishouden vormde met zijn kinderen en aan de onderhoudseis voldeed, onder meer door het ter beschikking stellen van woningen, pachtinkomsten en geldtransfers.
De Raad concludeerde echter dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij met de kinderen een huishouden voerde, mede vanwege de geografische afstand en beperkte bezoeken. Ook ontbrak bewijs voor de onderhoudsbijdragen. Het beleid van de Svb om besluiten met terugwerkende kracht te herzien werd als consistent en buitenwettelijk begunstigend beoordeeld, en toepassing van artikel 14a AKW met terugwerkende kracht werd niet onredelijk geacht.
De Raad vond geen aanwijzingen dat het vertrouwensbeginsel of andere ongeschreven rechtsregels toepassing in de weg stonden. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de herziening van de kinderbijslag gehandhaafd.
Uitkomst: De herziening van de kinderbijslag met terugwerkende kracht wordt bevestigd omdat de kinderen niet tot het huishouden behoorden en appellant hen onvoldoende heeft onderhouden.