ECLI:NL:CRVB:2010:BO3028
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen bijstand, waarbij het College de bijstand introk en terugvorderde wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding en het niet nakomen van de inlichtingenplicht. De Raad beoordeelde meerdere periodes en stelde vast dat appellanten vanaf 1 mei 2003 tot 20 november 2006 een gezamenlijke huishouding voerden, maar niet in de periode van 1 december 2000 tot 1 mei 2003.
De Raad oordeelde dat het College onvoldoende feitelijke grondslag had voor de intrekking over de periode van 1 december 2000 tot 1 mei 2003 en over de periode van 21 november 2006 tot 30 april 2007. De terugvordering en medeterugvordering werden eveneens vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Het College werd opgedragen een nieuw besluit te nemen over de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad veroordeelde het College in de proceskosten van appellanten en benadrukte dat de beoordeling van de hoofdverblijven moet worden gebaseerd op concrete feiten en omstandigheden, waarbij inschrijving op verschillende adressen niet uitsluit dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is vernietigd voor bepaalde periodes en het College moet opnieuw besluiten nemen.