ECLI:NL:CRVB:2010:BO2836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek toelating vrijwillige werkloosheidsverzekering
Appellant, werkzaam bij een werkgever en tevens zorgverlener voor zijn echtgenote via een persoonsgebonden budget, verzocht het UWV om toelating tot de vrijwillige verzekering voor de Ziektewet, Wet WIA en Werkloosheidswet (WW). Het UWV stemde in met de Ziektewet en Wet WIA, maar wees het verzoek voor de vrijwillige WW-verzekering af omdat appellant niet tot de in de WW genoemde categorieën behoort die hiervoor in aanmerking komen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, stellende dat hij onjuist was geïnformeerd door een medewerkster van het UWV en dat een telefoonnotitie van 21 april 2009 zijn standpunt ondersteunt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het standpunt van het UWV.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat appellant inderdaad niet tot de toegestane categorieën voor vrijwillige WW-verzekering behoort. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen mededelingen van het UWV aan appellant zijn gedaan waarop hij gerechtvaardigd vertrouwen kon baseren dat zijn verzoek zou worden ingewilligd. De telefonische informatie was onvoldoende concreet en de notitie van het telefoongesprek ondersteunt appellant niet.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het verzoek tot vrijwillige werkloosheidsverzekering wordt bevestigd.