ECLI:NL:CRVB:2010:BO1351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing late aanvraag WW-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval
Appellante heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een WW-uitkering, omdat zij deze pas in januari 2009 indiende terwijl haar werkloosheid op 16 januari 2006 is ingetreden. Zij stelde dat zij al in maart 2006 een aanvraag had gedaan, maar werd toen door het CWI afgewezen omdat zij niet als werkneemster stond geregistreerd.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van het UWV onjuist was gebaseerd op de WW-regelgeving van na 1 oktober 2006, maar dat appellante geen recht meer had op uitkering vanwege het verlopen van de maximale uitkeringsduur en het ontbreken van een bijzonder geval. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt vast dat de eerste schriftelijke aanvraag pas in januari 2009 plaatsvond.
De Raad acht aannemelijk dat appellante in maart 2006 werd afgehouden van het doen van een aanvraag, maar dat zij na het vonnis van de kantonrechter in mei 2007, waarin haar arbeidsovereenkomst werd bevestigd, niet direct opnieuw een aanvraag heeft ingediend. Ook het ontbreken van een rechtvaardiging voor het tijdsverloop tussen maart 2006 en januari 2009 leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een bijzonder geval.
Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van de late aanvraag van de WW-uitkering wordt bevestigd vanwege het ontbreken van een bijzonder geval.