ECLI:NL:CRVB:2010:BN8686
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.F. Bandringa
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn en verrekening bijstandsschuld in hoger beroep WWB
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd geconfronteerd met verlagingen van deze bijstand wegens niet-deelname aan een re-integratietraject. Het College van burgemeester en wethouders van Eindhoven nam besluiten tot verrekening van een nabetaling met openstaande vorderingen. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat de redelijke termijn voor de behandeling van zijn bezwaar en beroep was overschreden.
De rechtbank verklaarde het beroep deels niet-ontvankelijk en wees verzoeken om schadevergoeding af, stellende dat de redelijke termijn niet was overschreden. In hoger beroep oordeelde de Raad dat de redelijke termijn van twee jaar wel was overschreden, waardoor het College veroordeeld moest worden tot een schadevergoeding van €500. Tevens bevestigde de Raad dat het College bevoegd was tot verrekening van de schuld met de nabetaling, ook al stonden de vorderingen ten tijde van de verrekening nog niet in rechte vast.
De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn inkomen door de verrekening onder de beslagvrije voet was gedaald. De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant. Hiermee werd het hoger beroep deels gegrond verklaard en deels verworpen.
Uitkomst: Het College wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten aan appellant.