ECLI:NL:CRVB:2010:BN7955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- E.E.V. Lenos
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen vermogen
Appellante ontving bijstand sinds 1998 en werd in 2004 en 2005 door het Inlichtingenbureau gesignaleerd wegens verzwegen bankrekeningen bij de DHB-Bank met aanzienlijke tegoeden. Het College van B&W van ’s-Gravenhage besloot daarop de bijstand over twee perioden in te trekken en terug te vorderen, omdat appellante niet had voldaan aan haar inlichtingenplicht en over vermogen beschikte boven de vrijlatingsgrens.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak deels. De Raad oordeelt dat het besluit over januari 2003 niet herzien kan worden omdat hierover al definitief was beslist in 2004, waardoor het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden. Voor de periode van september 2004 tot december 2006 oordeelt de Raad dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het tegoed niet haar vermogen was en dat zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden.
De Raad handhaaft daarom de intrekking en terugvordering over deze periode, herroept eerdere besluiten en stelt het terug te vorderen bedrag vast op € 25.224,93. Tevens veroordeelt de Raad het College in de kosten van appellante en bepaalt vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot intrekking en terugvordering over januari 2003 wordt vernietigd en het terug te vorderen bedrag over 2004-2006 wordt vastgesteld op € 25.224,93.