ECLI:NL:CRVB:2010:BN7152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid na herleving ontslag ambtenaar bij Belastingdienst
Betrokkene was sinds 1998 ambtenaar bij het Ministerie van Financiën en werd in 2004 onvoorwaardelijk ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim, waaronder onjuiste belastingaangiften en onjuiste aanvragen van vergoedingen. Na een gerechtelijke procedure werd het ontslag aanvankelijk vernietigd, waarna betrokkene in 2007 zijn werkzaamheden hervatte op basis van een voorwaardelijk strafontslag.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde later de eerdere uitspraak en bevestigde het onvoorwaardelijke ontslag wegens ernstig plichtsverzuim. De minister stelde dat het ontslag herleefde en dat de gevolgen daarvan ook moesten gelden voor de beoordeling van de werkloosheid van betrokkene na zijn werkhervatting in 2007.
Het UWV weigerde de WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid, waarbij het de gedragingen die tot het eerdere ontslag leidden betrok bij de beoordeling. De rechtbank verklaarde dit onterecht, maar de Raad stelde in hoger beroep dat het UWV dit wel mocht doen omdat de werkloosheid rechtstreeks voortvloeide uit het herleefde ontslag en het ernstig plichtsverzuim.
De Raad vernietigde het bestreden besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.