ECLI:NL:CRVB:2010:BN3256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- J.J.A. Kooijman
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Beoordeling keuzevrijheid pgb versus collectief vervoer onder de Wmo in gemeente Velsen
Betrokkene vroeg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een bijdrage voor het gebruik van een eigen auto als vervoersvoorziening aan. De gemeente Velsen wees dit af omdat betrokkene gebruik kon maken van collectief vervoer, dat als voorliggende voorziening werd gezien. Betrokkene maakte bezwaar en stelde dat de kosten gelijk waren en dat het collectief vervoer niet geschikt was voor familiebezoek buiten de regio.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en oordeelde dat de gemeente onvoldoende had gemotiveerd waarom een persoonsgebonden budget (pgb) geweigerd werd ten gunste van collectief vervoer. De gemeente stelde in hoger beroep dat het collectief vervoer de goedkoopste adequate voorziening was en dat het niet de bedoeling van de wetgever was om gemeenten te verplichten een keuze te bieden als collectief vervoer de goedkoopste optie is.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het collectief vervoer in Velsen een individuele voorziening is en dat op grond van artikel 6 Wmo Pro een keuze voor een pgb moet worden geboden tenzij overwegende bezwaren bestaan. De gemeente had onvoldoende gemotiveerd dat zulke bezwaren aanwezig waren, omdat haar argumenten niet waren onderbouwd met concrete gegevens over het collectief vervoersysteem in Velsen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de gemeente in de proceskosten. Dit arrest benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij het weigeren van een keuzevrijheid tussen pgb en collectief vervoer onder de Wmo.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de gemeente onvoldoende heeft gemotiveerd dat er overwegende bezwaren zijn tegen het bieden van een keuze tussen pgb en collectief vervoer.