ECLI:NL:CRVB:2010:BN0393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beperking verlenging WW-uitkering na werkhervatting
Appellant ontving een WW-uitkering bestaande uit een loongerelateerde uitkering en een vervolguitkering (recht 1). Na werkhervatting in december 2004 werd deze uitkering beëindigd. Later vroeg appellant een tweede WW-uitkering (recht 2) aan na beëindiging van een Ziektewetuitkering.
Het UWV verlengde de duur van recht 2 met de resterende duur van de loongerelateerde uitkering van recht 1, maar weigerde verlenging met de vervolguitkering van recht 1. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar de rechtbank vernietigde het besluit wegens schending van hoor en wederhoor, zonder de rechtsgevolgen te wijzigen.
In hoger beroep stelde appellant dat het verlies van de vervolguitkering onrechtvaardig was en dat artikel 130o van de WW van toepassing zou moeten zijn. De Raad oordeelde dat artikel 130h tweede lid aanhef en onder a geen verlenging met de vervolguitkering toestaat en dat artikel 130o niet van toepassing is op zijn situatie.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.