ECLI:NL:CRVB:2010:BN0228
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R.H.M. Roelofs
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand met verjaring en overschrijding redelijke termijn
Appellante ontving bijstand met een toeslag van 20%, die door het College werd verlaagd naar 5% vanwege het inkomen van haar inwonende zoon. Het College vorderde terugbetaling van teveel ontvangen bijstand over de periode 1997-1998. Na diverse besluiten, bezwaar- en beroepsprocedures stelde de rechtbank het College in het gelijk, maar in hoger beroep vernietigt de Centrale Raad van Beroep dit besluit wegens verjaring van het recht op invordering.
De Raad oordeelt dat door de stuitingshandeling van 18 oktober 2000 een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen, maar dat het College pas in 2006 een nieuw invorderingsbesluit nam, nadat de verjaringstermijn in 2005 was verstreken. Daarom was het recht op invordering ten tijde van het besluit verjaard. Tevens concludeert de Raad dat appellante niet hulpbehoevend was in de zin van de Algemene bijstandsverordening, waardoor de toeslag terecht werd verlaagd.
Verder is de Raad ingegaan op de overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurs- en rechterlijke procedure. Hoewel de rechtbank de behandelingsduur overschreed, acht de Raad de totale duur van de rechterlijke fase niet onredelijk vanwege omstandigheden zoals mediationpogingen. De Raad opent het onderzoek naar schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opnieuw en betrekt daarbij ook de Staat der Nederlanden.
Het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante en moet het griffierecht vergoeden. Het College wordt tevens opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit tot invordering van bijstand over 1997-1998 wordt vernietigd wegens verjaring en het College moet een nieuw besluit nemen.