ECLI:NL:CRVB:2010:BM9841
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op eigen verzoek
Appellant, een beroepsmilitair bij de Koninklijke Marechaussee, werd beschuldigd van ongewenst gedrag van seksuele aard tijdens een uitzending in het buitenland. Na een schorsing en een lopende ontslagprocedure bood appellant ontslag aan, wat leidde tot een vaststellingsovereenkomst en ontslag per 1 juni 2006.
Appellant vroeg een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering aan, die werden geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant niet onder dwang ontslag had genomen en geen medische gronden voor ontslag aanwezig waren.
In hoger beroep stelde appellant dat hij onder zware psychische druk ontslag had genomen. De Raad oordeelde dat het UWV het besluit onzorgvuldig had voorbereid omdat het geen inzicht had in de psychische gesteldheid van appellant ten tijde van het ontslag. Na aanvullend onderzoek stelde de Raad vast dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden, omdat hij bewust en weloverwogen had gekozen voor ontslag zonder medische noodzaak.
De Raad vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Tevens veroordeelde de Raad het UWV en de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.