ECLI:NL:CRVB:2010:BM8903
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens functionele ongeschiktheid en toekenning WW-uitkering na geschil over verwijtbare werkloosheid
Appellante was sinds 1982 in dienst van de gemeente Rozenburg en trad in 2004 in dienst van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD). Na aanspraken op haar productiviteit en een ontslag wegens functionele ongeschiktheid per 1 juli 2006, werd appellante door het UWV aanvankelijk niet toegelaten tot een WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. ISD stelde dat appellante haar afspraken niet nakwam en dat haar werkloosheid verwijtbaar was.
Appellante stelde zich op het standpunt niet verwijtbaar werkloos te zijn, omdat zij niet in staat was haar werkwijze aan te passen en het regelmatig voeren van voortgangsgesprekken geen resultaat opleverde. De Raad oordeelde dat appellante niet verwijtbaar werkloos is geworden, omdat het niet nakomen van productiviteitseisen niet aan haar kan worden toegerekend en de weigering van deeltijdontslag met FPU geen grond voor verwijtbaarheid vormt.
Het hoger beroep van appellante werd niet-ontvankelijk verklaard omdat zij zich met het nieuwe besluit van het UWV kon verenigen en geen verdere belangen of nevenvorderingen had. Het besluit van 15 maart 2010 van het UWV werd vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van ISD en appellante en moest het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van het UWV dat appellante verwijtbaar werkloos was wordt vernietigd, waarbij de WW-uitkering wordt toegekend.